De onderdelen van het paard
Schoft, kruis, kogel, sprong: op de stal vallen die woorden zonder uitleg. Tik ze hier aan en zie waar ze zitten, waar ze voor dienen en waar je op let.

Tik op een punt in de foto om te zien hoe dat deel heet, waarvoor het dient en waar je in de praktijk op let. Alle onderdelen staan ook uitgeschreven in de lijst hieronder.
Voorhand
Hoofd, hals, schouder en schoft: het deel vóór de zadellaag.
- Neusrug (ook wel: neusbeen)
De vlakke botrand aan de voorkant van het hoofd, tussen de ogen en de neusgaten. Er zit hier nauwelijks spier tussen huid en bot.
De neusriem ligt precies op dit bot. Omdat een spierlaag ontbreekt, komt druk hier rechtstreeks op het bot terecht.
Waar je op let: De KNHS eist minstens anderhalve centimeter ruimte tussen neusriem en neusbeen. Meet met twee vingers tot aan de tweede knokkel, op het bot zelf en niet naast de riem. Vingers verschillen in dikte, dus bij twijfel een gaatje losser.
- Ganash (ook wel: keelgang)
De ruimte tussen de beide onderkaaktakken, waar het hoofd overgaat in de hals.
Een ruime ganash geeft het paard plek om het hoofd aan te nemen zonder de luchtweg te knijpen. Bij een nauwe ganash komt een paard eerder achter de verticaal.
Waar je op let: Net binnen de hoek van de onderkaak loopt een slagader vlak onder de huid. Daar voel je de hartslag, in rust ongeveer 28 tot 45 slagen per minuut.
- Manenkam
De bovenrand van de hals, van achter de oren tot aan de schoft, waar de manen op groeien. Onder de huid ligt een vetkussen dat kan groeien en slinken.
Dat vetkussen is een gezondheidsmeter. Een harde, verdikte manenkam wijst op een verstoorde suikerstofwisseling, ook bij een paard dat verder niet dik oogt.
Waar je op let: De cresty neck score loopt van 0 tot 5: 1 tot 2 is normaal, vanaf 3 is het te zwaar. Pony's met een score van 3 of hoger hebben ongeveer vijf keer zoveel kans op een ontregelde insulinehuishouding.
- Hals
Verbindt hoofd en romp. Gewenst is een lange, goed bespierde hals met een ronde bovenlijn en een uitsnijding van de onderlijn naar het boeggewricht toe.
De hals is de balanceerstok van het paard. De lengte en de bespiering bepalen mede of het ongeforceerd kan nageven.
Waar je op let: Overmatige bespiering aan de onderlijn is ongewenst. Vaak is dat een teken dat het paard zich onderin de hals afzet in plaats van over de rug te lopen.
- Schoft
Het hoogste punt van de rug, waar de schouderbladen samenkomen. Anatomisch zijn het de doornuitsteeksels van de voorste borstwervels.
De schoft moet voldoende hoogte, lengte en spierontwikkeling hebben: hij zorgt voor de stabiliteit van het zadel.
Waar je op let: De stokmaat wordt op dit punt gemeten. Het zadel hoort vrij van de schoft te blijven, want druk of wrijving levert hier snel drukplekken op.
- Schouder (ook wel: schouderblad)
Het schouderblad met de bijbehorende bespiering, van de schoft schuin naar voren en onder. Een paard heeft geen sleutelbeen: de romp hangt in een spierband tussen de schouderbladen.
Een lange, schuine schouder geeft ruimte in de beweging van het voorbeen en werkt als schokdemper.
Waar je op let: De schuinte is de hoek die het schouderblad met de horizontaal maakt. Steiler betekent doorgaans een kortere, minder verende voorbeenbeweging.
- Boeg (ook wel: boeggewricht)
Het punt vooraan de schouder, waar schouderblad en opperarm samenkomen. Het steekt het verst naar voren van de hele romp.
De boeg is het voorste ijkpunt bij het meten van de lichaamslengte, van boeg tot zitbeenknobbel.
Waar je op let: Een zadel dat te ver naar voren ligt of een strakke borstriem kan hier schuren.
Middenhand
Rug, ribben en buik: het deel waar zadel en singel liggen.
- Rug
De lijn van schoft tot lendenen, waar het zadel op ligt. De rug hoort voldoende bespierd te zijn en via heup en lendenen een goede verbinding te vormen.
De welving van de rug draagt bij aan de kracht in het achterbeen, richting een voorwaartse en opwaartse beweging.
Waar je op let: De welving mag niet te hol, niet te strak en ook niet te bol zijn. Rugpijn laat zich meestal eerder zien in het gedrag onder het zadel dan in zichtbare kreupelheid.
- Ribbenkast (ook wel: ribben)
De ribben, die hart en longen omsluiten. Direct achter de elleboog ligt de singellijn.
De welving van de ribben bepaalt hoeveel ruimte er is voor hart en longen, en hoe een zadel op de romp valt.
Waar je op let: Bij het beoordelen van de conditie voel je hier: de ribben horen voelbaar te zijn, maar niet zichtbaar.
- Buik (ook wel: onderlijn)
De onderlijn van de romp, achter de ribben. Bij een gezond paard loopt die lijn geleidelijk omhoog naar de flank.
Een sterk opgetrokken buik of juist een hangbuik zegt iets over conditie, voeding of leeftijd.
Waar je op let: Naar de buik kijken, met een achterbeen naar de buik trappen, veel gaan liggen en rollen: dat zijn klassieke koliek-signalen.
- Flank
De weke plek tussen de laatste rib en de heup, waar geen bot onder de huid ligt.
Hier is de ademhaling het duidelijkst te zien.
Waar je op let: In rust ademt een gezond paard 8 tot 16 keer per minuut, het makkelijkst te tellen aan de flankbewegingen. Versneld of zwaar flankwerk in rust is een reden om verder te kijken.
Achterhand
Lendenen, kruis en dijen: de motor waar de voortstuwing vandaan komt.
- Lendenen
Het stuk rug tussen de laatste rib en het kruis, anatomisch de lendenwervels. Ze vormen de verbinding van de rug met de achterhand.
Hier komt de kracht van de achterhand op de rug over. Korte, goed bespierde lendenen dragen die kracht beter over.
Waar je op let: De lendenen mogen niet te strak en niet te week zijn. Dit is ook de plek waar een te lang zadel voorbij de laatste rib gaat drukken.
- Kruis
De bovenlijn van de achterhand, van de heup tot de staartwortel. Anatomisch ligt hier het heiligbeen.
Het kruis vormt de motor van het paard en moet voldoende bespiering en beweeglijkheid hebben. Een licht hellend kruis geldt als ideaal.
Waar je op let: Een sterk aflopend of juist vlak kruis verandert de manier waarop het achterbeen onder de massa kan komen.
- Heup (ook wel: heupknobbel)
Het uitstekende punt van het bekken, opzij van het kruis.
De heupknobbels zijn een van de weinige botpunten die van buitenaf goed zichtbaar zijn, en daardoor een bruikbaar ijkpunt voor symmetrie.
Waar je op let: Beide heupknobbels horen even hoog te staan. Een blijvend hoogteverschil kan wijzen op oud bekkenletsel en hoort door een dierenarts beoordeeld te worden.
- Staartwortel (ook wel: staartinplant)
Waar de staart uit het lichaam komt, aan het einde van het kruis.
Hoe het paard de staart draagt en beweegt, zegt iets over spanning, comfort en welbevinden.
Waar je op let: Vetophoping rond de staartwortel is, net als een verdikte manenkam, een signaal van een ontregelde stofwisseling.
- Dij (ook wel: broek)
De bespiering van het bovenbeen, tussen kruis en spronggewricht.
Hier zit de spiermassa die het paard vooruit en omhoog duwt. Bij verlies van conditie is dit een van de eerste plekken waar dat opvalt.
Waar je op let: De hoek in het heupgewricht is bij voorkeur minstens 90 graden.
Benen
Van knie en sprong tot hoef. Deze namen gelden voor alle vier de benen.
- Elleboog
Het gewricht waar het voorbeen uit de romp komt, vlak achter de singellijn.
De elleboog hoort vrij te kunnen bewegen. Alles wat daartegenaan ligt, beperkt de voorwaartse zwaai van het voorbeen.
Waar je op let: Een singel die te ver naar voren ligt of een dikke singelrand kan hier wrijven en drukplekken geven.
- Voorknie (ook wel: handwortelgewricht)
Het gewricht midden in het voorbeen. Ondanks de naam is dit geen knie: het komt overeen met onze pols.
De stand van dit gewricht bepaalt mede hoe de belasting over het onderbeen wordt verdeeld.
Waar je op let: In voor- en zijaanzicht horen de benen in een rechte lijn te lopen. Naar achteren doorgebogen knieen gelden als ongewenst.
- Pijp (ook wel: pijpbeen)
Het rechte stuk been onder de knie of de sprong. Aan de achterkant lopen de buigpezen, die je met duim en vingers kunt omvatten.
Het been hoort hard en droog aan te voelen, zonder vochtophoping. Er zit weinig weefsel tussen huid en pees, waardoor je veranderingen vroeg voelt.
Waar je op let: Warmte, zwelling of pijn bij het aftasten van de pezen hoort bij de eerste signalen van peesletsel. Voel dagelijks, dan valt een verandering op.
- Kogel (ook wel: kogelgewricht)
Het gewricht onder aan de pijp, boven de koot.
De kogel vangt bij elke pas een groot deel van de schok op en zakt daarbij ver door.
Waar je op let: Aan de zijkant van de kogel loopt een slagader vlak onder de huid. Een duidelijk voelbare, bonzende polsslag daar wijst op ontsteking in de hoef.
- Koot (ook wel: kootgewricht)
Het schuine stuk tussen kogel en hoef.
De hoek van de koot bepaalt mede hoe verend het paard loopt. Die hoek hoort in lijn te liggen met de voorzijde van de hoefwand.
Waar je op let: Een zeer steile koot geeft een kortere, hardere pas. Een lange, ver doorzakkende koot belast de pezen juist zwaarder.
- Hoef (ook wel: hoorn)
De hoornschoen om het onderste teenbot, met daarboven de kroonrand waar het hoorn wordt gevormd.
Hoorn groeit ongeveer 6 tot 10 millimeter per maand, dus een hoefwand vernieuwt zich in grofweg een jaar. Daarom duurt herstel van een hoefprobleem lang.
Waar je op let: Bekappen gebeurt meestal om de zes tot acht weken, bij zwakke hoeven korter. Warme hoeven en een pijnlijke, verdikte kroonrand horen bij de vroege signalen van hoefbevangenheid.
- Spronggewricht (ook wel: hak)
Het grote hoekgewricht in het achterbeen, tussen onderbeen en pijp. Het is te vergelijken met onze enkel.
De sprong buigt bij elke afzet. De kwaliteit ervan telt zwaar mee bij springen en bij verzameling.
Waar je op let: De hoek ligt bij voorkeur rond de 150 graden. Een te rechte of juist te sterk gebogen stand belast het gewricht zwaarder.
Verder lezen
- Een passend zadel kiezen en aanmeten
- Hoefverzorging en de hoefsmid
- Kreupelheid herkennen
- Peesblessure bij het paard
- Gewicht en conditie beoordelen
- Een paard poetsen en opzadelen
Losse vaktermen opzoeken kan in het jargonwoordenboek.