Gids · Gezondheid6 min leestijdNiveau 2 · Eigen paard overwegen

Ontwormen van paarden: wanneer, hoe vaak en waarom mestonderzoek slimmer is

Wanneer en hoe vaak je een paard ontwormt, waarom mestonderzoek het vaste schema vervangt en hoe je resistentie tegengaat.

StalwijsBijgewerkt 2 november 2026Geverifieerd tegen 2 bronnen op 2 september 2026, wormsoorten, schema en termijnen 2 november 2026

Bijna elk paard draagt wormen, maar lang niet elk paard heeft een ontwormkuur nodig. Het advies is verschoven van vaste kuren op de kalender naar gericht behandelen op basis van mestonderzoek. Dat staat ook in de Leidraad Paard en Parasieten van de KNMvD en Royal GD (oktober 2024), een handleiding voor dierenartsen. Dit is waarom dat verschil ertoe doet en hoe je het praktisch aanpakt.

Waarom het vaste schema is achterhaald

De Leidraad schrijft dat sommige eigenaren nog denken dat paarden minstens vier keer per jaar, tot zelfs elke acht weken, ontwormd moeten worden. Dat vaste schema is achterhaald, want maar ongeveer een derde van de volwassen paarden scheidt zoveel eitjes uit (meer dan 200 eitjes per gram mest) dat behandelen wenselijk is. Bovendien verschillen de uitscheiding en de besmetting van de wei per seizoen.

Daar komt resistentie bij: wormen die ongevoelig worden voor een middel. Er zijn maar drie groepen middelen tegen rondwormen beschikbaar, en volgens de Leidraad bestaat op 80 tot 90 procent van de Nederlandse bedrijven resistentie van kleine strongyliden tegen een van die groepen, de benzimidazolen. Hoe vaker je een middel inzet, hoe sneller dat toeneemt. Daarom geldt nu: behandel het paard dat het nodig heeft, en laat de dierenarts het juiste middel op het juiste moment kiezen.

Wat mestonderzoek je vertelt

Bij mestonderzoek telt een laboratorium het aantal wormeitjes in een mestmonster. De uitslag staat in EPG: eitjes per gram mest. De Leidraad noemt een uitslag positief, en behandeling dus aangewezen, bij:

  • een individueel mestmonster met meer dan 200 EPG van het strongylus-type (maagdarmwormen);
  • een poolmonster (mest van meerdere paarden samen) met meer dan 100 EPG;
  • spoelwormeitjes in de mest van een veulen, altijd.

Een laag EPG betekent meestal: niet behandelen. Een paard met minder dan 200 EPG houdt een deel van de wormen buiten behandeling, wat resistentie vertraagt, en bouwt door lage besmetting weerstand op. De Leidraad adviseert in het eerste jaar drie keer mest te laten onderzoeken: twee weken voordat het paard naar buiten gaat (of vanaf maart als het al op de wei staat), in de zomer en in september. Blijft de uitslag bij minstens drie onderzoeken onder 200, dan kan het onderzoek daarna minder vaak. Is de uitslag één keer hoger of zijn er spoelwormeitjes gevonden, dan blijf je drie keer per jaar onderzoeken. De keuze van het middel is aan de dierenarts, die ook meeweegt om welk type paard het gaat: een veulen, een oud paard of een paard met een zwakkere weerstand heeft een ander regime dan een gezond volwassen paard.

Een telling vangt niet alles. Na de eerste maanden van het eerste weideseizoen zegt het EPG volgens de Leidraad weinig tot niets meer over de totale wormlast, omdat larven zich in de darmwand kunnen terugtrekken. Lintwormen toon je beter aan met een speekseltest (EquiSal), en paardenhorzels herken je aan gele eitjes op de haren van de benen.

Controle of een middel werkt. De Leidraad beschrijft de FECRT (faecal egg count reduction test): je telt het EPG op de dag van de behandeling en veertien dagen later. Zo zie je of het middel de eitelling genoeg verlaagt. De Leidraad adviseert dit eens per twee jaar te doen, zodat je weet of er op het bedrijf resistentie is.

De wormen waar het om gaat

Worm Wat de Leidraad zegt
Kleine strongyliden (maagdarmwormen) Komen vrijwel overal op paardenweiden voor; in principe raken alle grazende paarden besmet. Larven kunnen zich in de darmwand terugtrekken en maanden tot jaren later weer actief worden
Grote strongyliden Worden anno 2024 vrijwel alleen nog incidenteel gevonden bij extensief of semi-wild gehouden paarden en importpaarden
Spoelwormen Vooral bij veulens en jaarlingen; hoesten is het eerste en meest voorkomende symptoom. De eieren kunnen tot 10 jaar in de omgeving overleven
Lintworm Paarden ontwikkelen er geen weerstand tegen, dus alle leeftijden kunnen besmet zijn. Behandel alleen bij een aangetoonde of zeer sterk vermoede infectie
Paardenhorzel Meestal geen behandeling nodig; eitjes van de haren verwijderen helpt
Leverbot Alleen op weiden die door onder meer runderen, schapen of geiten besmet zijn; veel besmettingen geven geen klachten

Een werkbaar ritme door het jaar

De Leidraad geeft geen vast schema, want wormbeheer is maatwerk per bedrijf. Wel geeft ze een richting voor volwassen paarden:

Periode Aanpak
Voorjaar, voor het naar buiten gaan Mestonderzoek; behandelen alleen bij een EPG boven 200 of bij spoelwormeitjes
Zomer Mestonderzoek; behandelen alleen bij een EPG boven 200
September Mestonderzoek. Niet ontwormen als de EPG laag was, de speekseltest op lintworm negatief is en er geen horzeleitjes op de huid zitten. Wel behandelen als er het hele jaar geen mestonderzoek was, de voorgeschiedenis onbekend is of de EPG hoog is
Najaar, ingekapselde larven Alleen als de controle onvoldoende was bij jonge paarden (jonger dan 4 tot 5 jaar) of een hoge besmetting wordt vermoed, of bij oudere paarden met een verhoogd EPG
Lintworm en horzel Alleen op indicatie

Een kuur in het najaar of de winter is niet zonder risico. Volgens de Leidraad komt acute larvale cyathostominose, een ernstige darmontsteking met diarree en koorts, regelmatig voor na een wormmiddel in die periode, doordat ingekapselde larven massaal vrijkomen. Een vaste najaarskuur zonder reden is dus niet verstandig. Heeft je paard na een kuur diarree of koorts, bel dan meteen de dierenarts.

Veulens, jonge paarden en nieuwkomers vragen een strikter regime. De Leidraad adviseert veulens maandelijks te laten onderzoeken. Eieren van spoelwormen verschijnen in de mest vanaf ongeveer 9 tot 16 weken. Na een kuur tegen spoelwormen kan bij veulens een darmverstopping door afgestorven wormen ontstaan, meestal binnen 24 uur. Nieuwe paarden houd je volgens de Leidraad minstens twee weken apart, nadat ze met een effectief middel zijn ontwormd. Daarna volgt mestonderzoek bij binnenkomst en aan het eind van die periode, en pas als er geen noemenswaardige uitscheiding is, gaat het paard bij de kudde.

Weidebeheer telt net zo zwaar

Ontwormen bestrijdt de wormen in het paard; weidebeheer bestrijdt de besmetting eromheen. Zonder dat tweede deel blijf je dweilen met de kraan open. De Leidraad noemt deze maatregelen:

  • Mest rapen: een keer per week in het voorjaar tot twee keer per week in de zomer, en boxen dagelijks uitmesten.
  • Overbegrazing voorkomen: bij genoeg gras eten paarden niet vlak bij de mestplekken, waar de besmetting het grootst is. Bijvoeren doe je vanaf een verhoging, niet van de grond.
  • Maaien: regelmatig maaien, bijvoorbeeld om te hooien, haalt larven van de graspunten.
  • Rouleren en mengen: veulens en jaarlingen op de schoonste percelen, waar het jaar ervoor geen jonge paarden liepen. Begrazing met herkauwers (runderen, schapen) verlaagt de besmettingsdruk, maar let bij rundvee op leverbot.
  • Composteren: paardenmest alleen uitrijden als hij volledig is gecomposteerd, met in de hele mesthoop een kerntemperatuur van minimaal 70 graden gedurende minstens een week. Mest van veulens en jaarlingen hoort nooit op een paardenwei.

Goed weidebeheer verlaagt de wormdruk zo sterk dat veel paarden met minder kuren toe kunnen. Het is daarmee een kernonderdeel van de aanpak, geen bijzaak.

Resistentie tegengaan

Een paar gewoonten houden je middelen werkzaam:

  • Behandel op basis van onderzoek, niet op de kalender. De Leidraad vindt "blind" behandelen alleen te verdedigen bij jonge paarden in de opfok, en dan planmatig.
  • Laat de dierenarts het middel kiezen en controleer eens per twee jaar of het werkt.
  • Houd nieuwe paarden apart tot ze onderzocht zijn.

Voor een schema op maat overleg je met je dierenarts. Een aanhoudend zwaar wormbeeld kan klachten als vermageren of koliek (buikpijn bij het paard, altijd dierenarts bellen) geven en hoort dan ook door de dierenarts beoordeeld te worden.

Kort samengevat

  • Vrijwel elk paard draagt wormen; niet elk paard hoeft een kuur. Ongeveer een derde van de volwassen paarden scheidt zoveel eitjes uit dat behandelen wenselijk is.
  • Laat mestonderzoek (EPG, grens 200) bepalen wie je behandelt, in plaats van iedereen op vaste data te kuren.
  • Een telling zegt weinig over larven in de darmwand. Lintworm toon je aan met een speekseltest en behandel je alleen bij een aangetoonde infectie.
  • Een kuur in najaar of winter kan zelf een ernstige darmontsteking uitlokken. Doe dat alleen op advies van de dierenarts.
  • Rapen, overbegrazing voorkomen en rouleren verlagen de wormdruk minstens zo veel als de kuur zelf.
  • Controleer eens per twee jaar of het middel nog werkt: tel het EPG op de dag van behandeling en veertien dagen later.

Bronnen (geverifieerd 2 september 2026, wormsoorten, schema en termijnen 2 november 2026): KNMvD en Royal GD: Leidraad Paard en Parasieten, uitgebreide versie 21 oktober 2024 · Royal GD: Parasitologie paard

Zie ook: Paardentermen: termen rond gezondheid en verzorging · Niveau: eigen paard

Samengesteld op basis van openbare vakbronnen. Voor een diagnose of dosering is een dierenarts de aangewezen bron.